Blog

Zelf een ganzenbord tekenen op een groot vel

Hoe je met een touwtje en een groot vel papier een ganzenbord van vijfendertig vakjes maakt, en waarom de kinderen de bijzondere vakjes moeten bedenken.

· 5 minuten lezen · door Serge Lafort

Een zelfgetekend ganzenbord is een van de weinige dingen die je in een uur maakt en daarna jaren gebruikt. Je hebt een groot vel nodig, ongeveer zestig bij tachtig centimeter. De achterkant van een afgescheurd stuk behang is prima, en twee vellen tekenpapier die je met plakband aan de achterkant tegen elkaar zet werken net zo goed. Groter dan tachtig centimeter zouden wij niet doen: dat past op geen enkele eettafel meer en dan speel je automatisch op de vloer, waar iedereen over het bord heen moet reiken.

Vijfendertig vakjes, niet drieënzestig

Het klassieke ganzenbord heeft drieënzestig vakjes. Dat aantal komt uit een tijd waarin een spel de hele avond mocht duren, en het werkt tegen je als je met een kind van vijf speelt. Met twee pionnen en een gewone dobbelsteen doe je over drieënzestig vakjes al snel drie kwartier, en dan hebben we de vakjes waar je een beurt overslaat nog niet meegerekend. Ergens rond vakje veertig raakt een jong kind eruit, en de rest van het potje speel jij alleen door.

Wij vinden dertig tot veertig vakjes de goede maat, en vijfendertig een prettig getal om mee te rekenen. Daarmee duurt een potje met drie spelers ongeveer een kwartier. Dat is precies lang genoeg om spannend te worden en kort genoeg om er meteen nog een te willen. Wil je het langer maken, doe dat dan niet met meer vakjes maar met meer spelers: vier pionnen op vijfendertig vakjes voelt vanzelf al drukker en langer.

Eerst het touwtje, dan de stift

Het gedeelte waar zelfgetekende borden meestal misgaan, is de verdeling. Je begint links onderin met mooie ronde vakjes van zes centimeter, en rechts bovenin moet je de laatste acht vakjes in een hoekje persen. Dat los je op door de route eerst met een touwtje te leggen en pas daarna te tekenen.

Neem een touwtje of een schoenveter van ongeveer drie meter. Leg het in een slinger over het vel: van linksonder naar rechts, in een bocht terug naar links, en zo in drie of vier banen naar boven. Schuif eraan tot je de vorm mooi vindt en tot de banen ongeveer acht centimeter van elkaar liggen, zodat je pionnen elkaar niet in de weg staan. Meet dan hoeveel touw je werkelijk gebruikt hebt. Zit je op tweehonderdtachtig centimeter en wil je vijfendertig vakjes, dan komt er elke acht centimeter een vakje.

Haal het touwtje er nog even af en zet met een stift of met kleine stukjes plakband elke acht centimeter een markering op het touw zelf. Leg het daarna terug in dezelfde slinger. Nu liggen je markeringen automatisch gelijk verdeeld, ook in de bochten, waar het met een liniaal altijd fout gaat. Zet bij elke markering een potloodstipje op het papier, haal het touwtje weg en trek de cirkels. Een glas of een rol plakband van vijf tot zes centimeter is daar een prima mal voor. Nummer de vakjes daarna meteen, met een dikke één bij de start en het hoogste getal bij de finish, want zonder nummers gaat er tijdens het spelen gekibbeld worden over welke kant je op moet.

Vier soorten bijzondere vakjes zijn genoeg

Een ganzenbord staat of valt bij de vakjes waar iets gebeurt, en juist daar is de verleiding groot om te overdrijven. Wij houden het op vier soorten. Er is een vakje waar je een beurt overslaat, in het echte ganzenbord de put of de gevangenis. Er is een vakje dat je een paar plaatsen vooruit stuurt, een glijbaan of een raket. Er is een vakje dat je terugstuurt. En er is een vakje waar iedereen iets moet doen: allemaal opstaan, allemaal de gekste bek trekken, allemaal een dier nadoen. Dat vierde type is het waardevolst, omdat het de kinderen die net niet aan de beurt zijn erbij houdt. Een vijfde soort mag, bijvoorbeeld nog een keer gooien of van plek wisselen met de speler die voorligt, maar dan stop je.

Meer soorten dan dat werkt tegen je op drie manieren. De regels zijn niet meer te onthouden, dus staat er bij elk vakje een discussie. Het spel wordt langer terwijl je juist een kwartier wilde. En het bord raakt zo vol dat een kind niet meer ziet waar het pad loopt. Wij zouden op vijfendertig vakjes niet meer dan zeven of acht bijzondere vakjes zetten, dus ruwweg één op de vijf. De rest mag gewoon leeg zijn, of alleen een kleurtje krijgen.

Laat de kinderen bedenken wat er gebeurt

Hier zit voor ons het hele punt van een zelfgetekend bord. Het pad, de verdeling en de nummers zijn ouderwerk; dat is meten en het duurt een half uur. Maar wát er op de bijzondere vakjes gebeurt, moeten de kinderen bedenken. Dat is het leukste deel van het maken, en het is ook het deel waardoor het bord van hen wordt. Een kind van zes dat zelf heeft besloten dat je in het krokodillenmoeras drie vakjes terug moet, verdedigt die regel de rest van het jaar met verve, ook als hij er zelf op landt. Kinderen blijven bij regels die ze zelf hebben verzonnen merkbaar langer doorspelen dan bij regels die ze voorgelezen krijgen.

Praktisch werkt het zo dat je de lege genummerde vakjes op tafel legt en vraagt: welke vier vakjes worden gevaarlijk, en welke twee worden fijn? Vanaf ongeveer vijf jaar komen kinderen prima met ideeën, ook al kunnen ze het nog niet zelf opschrijven. Vanaf zeven tekenen en schrijven ze het meestal liever helemaal alleen. Jouw rol is die van redacteur: je vertaalt "je gaat terug naar het begin" naar "je gaat vier vakjes terug", en je zegt eerlijk dat vijftien beurten overslaan niet leuk speelt. Verder laat je het staan, ook de spelfouten en het scheve monster.

Zet de terugvakjes in de eerste helft

Er is één ontwerpfout die bijna elk zelfgemaakt ganzenbord in huis heeft: een vakje dat je terugstuurt, vlak voor de finish. Op papier is dat de spannendste plek. In de praktijk is het de plek waar een kind van vijf dat al bijna gewonnen had in tranen van tafel loopt, en dan is je kwartier voorbij en het bord voorlopig ook.

Onze regel is simpel: alle vakjes die je terugsturen staan in de eerste helft van het pad. Bij vijfendertig vakjes betekent dat tot en met vakje zeventien. Laat een terugvakje ook nooit verder terugsturen dan vier of vijf plaatsen, en gebruik "terug naar start" niet bij kinderen onder de acht. In de tweede helft mag je juist wel de aardige dingen zetten: een vooruitvakje op tweeëntwintig, een vakje waar iedereen moet juichen op dertig. Dan loopt het einde naar boven af in plaats van naar beneden. Het vakje waar je een beurt overslaat kan wat ons betreft wel in de tweede helft, want wachten is vervelend maar het voelt niet als straf.

Wat je erbij moet weten

Twee dingen die niet meevallen. Stiften en verf slaan door op de dunne achterkant van behang, dus leg oude kranten onder het vel en gebruik liever kleurpotlood of waskrijt voor de grote vlakken. En het maken duurt langer dan een kind verwacht; reken op drie kwartier tot een uur voordat er gespeeld kan worden. Bij kinderen onder de zes zouden wij het pad en de nummers zelf al voortekenen tijdens het ontbijt, zodat zij aan de leuke helft kunnen beginnen.

Als pionnen werken knopen, flesdoppen of losse figuurtjes uit een andere spellendoos. Rol het bord na het spelen op met de tekening naar buiten, dan gaat het niet dichtklappen als je het uitlegt. En schrijf er ergens in een hoek de datum en de namen bij. Over twee jaar is dat scheve krokodillenmoeras op vakje elf meer waard dan het spel zelf.

Verder lezen

Alle stukken