Blog

Werpzakjes maken van oude sokken en een kop rijst

Van een sok, een restje stof of een oude spijkerbroekspijp maak je in een half uur werpzakjes die blijven liggen waar ze landen. Met twee spelvormen om meteen te beginnen.

· 5 minuten lezen · door Serge Lafort

Een werpzakje is een van de weinige zelfgemaakte speelspullen waarbij het niet uitmaakt of het scheef is. Het moet zwaar genoeg zijn om te gooien, zacht genoeg om geen ruit te breken, en het moet vooral blijven liggen waar het neerkomt. Dat laatste is het hele punt. Een bal rolt door, een zakje niet, en daardoor kun je er spelletjes mee doen waarbij het erom gaat waar iets terechtkomt. Je hebt er een oude sok voor nodig, of een lap stof, of een afgeknipte pijp van een spijkerbroek die toch te kort was geworden, en een kop rijst of gedroogde bonen uit de kast.

Wat je nodig hebt en wat het gaat kosten aan tijd

Reken op een half uur voor vier zakjes, inclusief het zoeken naar de naald. Voor de buitenkant werkt dikke stof beter dan dunne: een spijkerbroekspijp is ideaal, een oude handdoek ook, een dunne katoenen hemdstof scheurt sneller open bij de naad. Sokken zijn de makkelijkste optie omdat je aan één kant al een gesloten teen hebt. Neem sokken die al een gaatje hebben, dan hoef je niet te twijfelen of ze nog gedragen worden. Verder heb je een naald met een wat groter oog nodig, stevig garen, en je vulling.

Voor de vulling nemen wij rijst of gedroogde bruine bonen, ongeveer honderd gram per zakje. Dat is ruwweg een half kopje rijst, en het voelt in de hand als iets tussen een appel en een tennisbal in. Lichter dan dat en het zakje waait bijna weg bij het gooien; zwaarder en kleine kinderen krijgen het niet meer met één hand gegooid. Linzen kunnen ook, maar die zijn zo klein dat ze door elk naadje naar buiten sijpelen.

Niet vol tot de rand

Dit is het enige punt waar je echt iets fout kunt doen. Een zakje dat tot de rand gevuld is, is hard en bol en stuitert weg als het op de grond komt. Precies wat je niet wilt. Vul het zakje dus tot ongeveer tweederde, zodat de rijst nog binnenin kan schuiven. Als je het zakje plat op tafel legt en er met je hand op drukt, moet het zich laten pletten tot een dikke pannenkoek. Kan dat niet, dan zit er te veel in en moet er een lepel uit. Zo'n slap zakje ploft neer en blijft liggen, en dat is de hele reden dat je er beter mee kunt mikken dan met een balletje.

Dichtmaken zonder naaimachine

Voor een sok is de simpelste oplossing helemaal geen naald. Vul de sok, draai de rest van de schacht strak in elkaar tot een koord, en knoop die dubbel om zichzelf heen. Trek de knoop goed aan. Dat houdt prima, en als hij na een middag losschiet knoop je hem opnieuw. Wil je het netter, dan stop je het uiteinde na het knopen nog naar binnen in het zakje.

Werk je met een lap stof of een broekspijp, dan ga je zo te werk. Leg de stof dubbel met de mooie kant naar binnen en knip een rechthoek van ongeveer twaalf bij vierentwintig centimeter, zodat je na het dubbelvouwen een vierkant van twaalf bij twaalf hebt. Naai eerst twee van de drie open zijden dicht met een overhandse steek: je steekt de naald steeds van achter naar voren door beide lagen heen, vlak langs de rand, met steekjes van een halve centimeter. Het is de steek waarmee je een gat in een sok dichtmaakt en meer hoef je niet te kunnen. Ga over elke naad twee keer heen, want de eerste ronde alleen is te zwak voor een zakje dat honderd keer op de grond klapt. Keer het zakje dan binnenstebuiten zodat de naden naar binnen zitten, vul het met je half kopje rijst, vouw de laatste rand een centimeter naar binnen en naai die met dezelfde steek dicht. Een kind van acht kan dit zelf, een kind van vijf kan het vullen doen en jij de naald.

Rijst of bonen, en waarom dat uitmaakt buiten

Rijst is fijner en voelt prettiger, maar rijst gaat schimmelen zodra het zakje nat wordt. Nat gras na een regenbui is al genoeg, en je merkt het pas een week later aan de geur. Speel met rijstzakjes dus alleen buiten op een droge dag, en leg ze daarna niet in een gesloten tas. Gedroogde bonen kunnen veel beter tegen een keer vocht en drogen ook weer op. Als je van plan bent deze zakjes vooral in de tuin of op het schoolplein te gebruiken, neem dan bonen. Binnen, op de gang of in de woonkamer, is rijst de fijnere keuze. Nat geworden zakjes leg je open op de verwarming; twijfel je, knip ze dan open, gooi de vulling weg en vul opnieuw.

Vier is genoeg, zes is beter dan twaalf

Wij zouden niet meer dan zes zakjes maken. Vier is voor de meeste spelletjes al genoeg, en zes is het maximum waarbij een spel nog vaart houdt. Het idee dat je met twaalf zakjes twee keer zo veel plezier hebt, klopt niet. Hoe meer zakjes, hoe langer iedereen staat te wachten tot de beurt rond is, en wachten is voor een kind van zes het saaiste deel van elk spel. Met vier zakjes gooi je, raapt iemand op, en ben je binnen een minuut weer aan de beurt. Bijkomend voordeel: vier zakjes naai je op één avond af en twaalf niet, waardoor die laatste acht meestal halfaf in een la eindigen.

Twee spellen om meteen te doen

Het eerste is het emmerspel. Zet drie bakjes van verschillende grootte op een rij op de grond, bijvoorbeeld een wasmand, een emmer en een pannetje, en leg een streep op de vloer met een stuk touw of een liniaal. Voor een kind van vijf leg je die streep op twee meter, voor een kind van negen op drie en een halve, en voor volwassenen op vijf. De wasmand levert een punt op, de emmer drie, het pannetje vijf. Iedereen gooit zijn vier zakjes achter elkaar, telt op, en dan is de volgende. Wie het eerst op vijfentwintig staat, heeft gewonnen. Werkt het te makkelijk, dan zet je niet de streep verder weg maar de bakjes verder uit elkaar, want mikken op afstand is voor kleine kinderen frustrerend en mikken naar links en rechts niet.

Het tweede is een estafette door het huis of de tuin, waarbij het zakje op je hoofd ligt. Je legt een route af van de keukendeur naar de boom en terug, en zodra het zakje valt, ga je terug naar het begin. Dit is het soort spel waarbij een slap gevuld zakje zich uitbetaalt: een strak volgestopt zakje rolt meteen van je hoofd, een zacht zakje blijft liggen zolang je rustig loopt. Met twee spelers doe je het om de beurt op tijd, met vier maak je twee teams die elkaar aftikken. Variant voor als het te makkelijk gaat: het zakje op de rug van je hand, of geklemd tussen je knieën.

Als je zakjes na een paar maanden stoffig of slap zijn, knip je een naad open, gooi je de vulling weg en naai je het opnieuw dicht met verse rijst. Dat kost vijf minuten en het is een stuk aantrekkelijker dan van voren af aan beginnen.

Verder lezen

Alle stukken