Blog

Vijftig blanco kaartjes en drie spellen voor dezelfde middag

Hoe je van een paar platen karton vijftig gelijke kaartjes van zes bij negen centimeter snijdt, en welke drie spellen je er meteen mee speelt.

· 5 minuten lezen · door Serge Lafort

Wij vinden een lege kaart het veelzijdigste speelgoed dat bestaat. Niet omdat zelfmaken nu eenmaal leuk klinkt, maar omdat vijftig blanco kaartjes op een doordeweekse middag meer spellen opleveren dan welke gekochte doos dan ook. Een gekocht spel kan precies één ding, en dat ding moet toevallig passen bij de leeftijd, de stemming en de tijd die je hebt. Een stapel lege kaartjes past zich aan: je schrijft erop wat je op dat moment nodig hebt, je veegt het van tafel en een half uur later is het iets anders geworden. Op de dagen dat je niets hebt voorbereid, wint die stapel het glansrijk.

Waarom je het mesje pakt en niet de schaar

Het hele verschil tussen een spel en een stapel snippers zit in gelijkheid. Kaartjes moeten op elkaar lijken als twee druppels water, en een schaar kan dat niet. Een schaar wijkt af, maakt een golvende lijn, en elke keer dat je even moet bijknippen wordt het kaartje een millimeter smaller dan zijn buurman. Met een snijmesje en een liniaal snijd je langs een rechte rand, en die rand is elke keer dezelfde.

Je hebt nodig: platen karton, een liniaal met een metalen rand, een mesje met een scherp lemmet en iets om op te snijden, bijvoorbeeld een oud stuk karton of een stapel kranten. Kies voor de maat zes bij negen centimeter. Dat is klein genoeg om vijftig stuks in een kinderhand te laten passen en groot genoeg om er een woord op te schrijven dat van de andere kant van de tafel leesbaar is. Uit een vel van eenentwintig bij bijna dertig centimeter haal je er negen: drie kolommen van zes breed en drie rijen van negen hoog, met een randje over dat je afsnijdt. Zes vellen leveren vierenvijftig kaartjes op, dus je hebt er vier over voor de misser en het kaartje waar iemand koffie op morst.

Meet eerst alle lijnen met potlood uit op de achterkant en zet kleine streepjes aan de randen; je hoeft de hele lijn niet door te trekken, want je legt de liniaal toch van streepje naar streepje. Snijd daarna niet in één krachtige haal. Trek het mes twee of drie keer licht langs de liniaal, waarbij je de eerste keer nauwelijks drukt. Dat eerste haaltje is alleen bedoeld om een groef te maken waar het mes daarna in blijft lopen. Druk je meteen hard, dan schiet het lemmet weg over de liniaal heen en loopt je snede scheef, of erger. Houd je vingers achter de liniaal en nooit ervoor. Wissel het lemmet of breek het puntje af zodra het karton gaat rafelen in plaats van snijden; een bot mes is gevaarlijker dan een scherp mes, omdat je er harder op duwt. Snijd eerst alle lange banen van negen centimeter hoog, en verdeel die banen daarna in stukken van zes. Dat scheelt je de helft van het meetwerk. Reken op twintig tot vijfentwintig minuten voor de hele set.

Het snijden doe je zelf. Een kind van zeven mag meten, streepjes zetten, de liniaal vasthouden en de stapel tellen, maar het mesje blijft in handen van een volwassene. Dat is geen flauwheid: karton vraagt meer druk dan papier, en juist bij die druk glijdt een mes af.

Eén soort karton, anders is het spel verpest

Gebruik voor alle vijftig kaartjes karton van dezelfde soort en dezelfde dikte. Dat klinkt als een detail en het is het belangrijkste punt van dit hele stuk. Zodra je tien kaartjes uit een stevige doos knipt en veertig uit iets dunners, heb je twee soorten kaartjes, en kinderen zien dat. Niet aan de voorkant, maar aan de achterkant: aan de dikte van de zijkant in de stapel, aan de kleurzweem die door het dunne karton heen schemert, aan de manier waarop het ene kaartje slap doorhangt en het andere kaarsrecht blijft staan. Bij elk spel waarbij iets omgedraaid op tafel ligt, weet een kind van vijf dan binnen drie beurten welke kaartjes de gewilde zijn. Het raadt niet meer, het herkent. En een spel waarin niets meer te raden valt, is na vijf minuten voorbij. Datzelfde geldt voor kreukels, vouwlijnen en een hoekje dat is afgescheurd. Zo'n kaartje moet je weggooien, hoe zonde het ook voelt.

Uitbeelden met twintig kaartjes

Schrijf op twintig kaartjes één woord, groot en leesbaar. Laat iedereen meeschrijven, dat scheelt tijd en maakt de woorden onvoorspelbaar. Houd het concreet voor jonge spelers: olifant, tandenborstel, voetballer, onweer. Leg de stapel omgekeerd neer, iemand trekt een kaartje en beeldt het woord uit zonder te praten en zonder geluid te maken. De rest roept wat het denkt. Dertig seconden per beurt is genoeg; bij kleine kinderen maak je er een minuut van, want die hebben de eerste vijftien seconden nodig om te bedenken hoe een onweersbui eruitziet. Raadt iemand het, dan mag die het volgende kaartje trekken. Je houdt geen punten bij. Met twintig kaartjes ben je een klein half uur bezig.

Op volgorde leggen

Neem twaalf schone kaartjes en schrijf er twaalf dingen op die iets gemeen hebben waar een volgorde in zit. Een muis, een kat, een schaap, een paard, een olifant, in willekeurige volgorde opgeschreven, en de opdracht is ze op gewicht te leggen van licht naar zwaar. Of twaalf momenten van een dag, van wakker worden tot tandenpoetsen. Of twaalf dingen met een hoogte, van een stoel tot een kerktoren. Leg de kaartjes door elkaar op tafel en laat de spelers samen één rij maken. Het leuke zit in de discussie: is een struisvogel zwaarder dan een mens, en waar ligt de grens. Voor een kind van vier werken de momenten van de dag het beste, voor acht jaar en ouder juist de schattingen waar niemand het antwoord zeker van weet. Je kunt het ook om de beurt doen, waarbij elke speler zijn kaartje ergens tussen de al liggende kaartjes schuift en moet uitleggen waarom.

Een kaartje op je voorhoofd

Het derde spel kost de minste voorbereiding en loopt het langst door. Iedereen pakt blind een kaartje uit de stapel met woorden die je al hebt gemaakt en houdt het tegen zijn voorhoofd, met de tekst naar buiten, zonder te kijken. Om de beurt stel je één vraag waar alleen ja of nee op geantwoord kan worden. Ben ik een dier. Pas ik in een tas. Kom ik in huis voor. Bij ja mag je nog een vraag stellen, bij nee gaat de beurt door. Wie weet wat hij is, legt zijn kaartje neer en helpt daarna de anderen met antwoorden. Voor kinderen onder de zes is de regel van alleen ja-of-nee-vragen te moeilijk; laat ze dan gewoon vrij vragen stellen, dan wordt het een raadspel in plaats van een logicaspel en is het net zo leuk.

Waar het niet voor werkt

Eerlijk is eerlijk: blanco kaartjes vragen elke keer opnieuw iets van jou. Er moet iemand zijn die bedenkt wat erop komt te staan, en dat kost tien minuten die je bij een doos uit de kast niet kwijt bent. Kun je de energie daar niet voor opbrengen, dan is het verstandiger om iets te pakken waar de regels al in zitten. En een kind dat nog niet kan lezen, heeft aan woordkaartjes niets, tenzij je tekeningen maakt. Maar op alle andere dagen, als het regent en niemand iets heeft bedacht, is die stapel van vijftig gelijke kaartjes het snelste antwoord dat je in huis kunt hebben. Bewaar hem met een elastiekje erom in een keukenla, niet onder in de speelgoedkist, want daar komen de kreukels vandaan.

Verder lezen

Alle stukken